|
| |
Martin Stoelinga, succesvol zakenman en
bekende Delftenaar,
heeft veel vrienden en veel vijanden. En dat komt door de politiek...
DELFT - Saai is het
allerminst, praten met Martin Stoelinga. Hij, bekend van z’n snor en z’n
rechtszaken, is beroemd èn berucht in Delft. Vriend en vijand, beide categorieën
zijn ruim vertegenwoordigd, hebben een mening over hem. Zeker sinds hij zich in
het Delftse politieke gewoel stortte. Want, weet hij ook wel, eigenlijk is hij
daar niet geschikt voor. Hoewel…
Stoelinga (64) is
geboren in Eindhoven. “Mijn vader was schoenmaker, hij kon in Eindhoven werk
krijgen. Daar heeft hij m’n moeder, een Limburgse, leren kennen”. Stoelinga was
één jaar toen de familie terugging naar Delft. Hij voelt zich ook Delftenaar.
“Ben ik wel trots op, ja. Delft is een fijne stad, al wordt ’t de laatste tien
jaar wel een stuk minder. Dat komt ook omdat ik er nu dichter opzit. Qua
toerisme is Delft wèl leuk bezig, maar dat had dertig, veertig jaar eerder
gemoeten. Het beleid is, vind ik, op veel punten niet goed. Ik vind Delft, met
zó veel toerisme, te links. Ik ben heel m’n leven al commercieel bezig. Dan is
’t best lastig als je wordt geremd door bepaalde gedachtengangen die niet echt
stroken met Delft als ondernemingsstad”.
* Heb je echt niks overgehouden aan dat ene jaar Eindhoven ?
Vertelt een anekdote, “maar die heb ik natuurlijk uit overlevering”. Noemt zich
niettemin gekscherend ‘Het Lichtpunt’. En komt er rond voor uit dat hij
Rooms-Katholiek is. “Ik ben misdienaar geweest, koorknaap, catechisant. Ik heb
duizenden Misjes gezongen. Mijn vader, hij was een prachtkerel, zei altijd: ‘Het
gaat in het leven om de drie K’s: Kapitaal, Kerk en Vrouwen’. Ja, hij was
filosofisch aangelegd. Zei bijvoorbeeld: ‘Bescherm me tegen m’n vrienden, met
m’n vijanden klaar ik het zelf wel’.”
Na de Lagere School ging Stoelinga naar de Grafische School, in Rotterdam. “Ik
ben handzetter geweest, was een beloftevol beroep. Drukkerij Van Marken van m’n
eerste baas”. Lang duurde dat feest niet. “Ik ben bij Piet van Bergen gaan
werken. Was een soort uitzendbureau, verdiende ik acht keer zo veel”.
* Toen hield je al van geld ?
“Ja. Met die 12 gulden in de week die ik bij Van Marken verdiende, kwam je niet
veel verder”. Vertelt dat hij ‘nog even’ ijzervlechter is geweest. ‘En vrij snel
ben ik de muziek ingegaan. Dat kwam eigenlijk door Polle Eduard. Die had geen
manager, ik verdiende aardig wat geld en toen ben ik dus de muziek ingestapt. Ik
zat altijd in het home van de Tee Set. Toen scheidde After Tea zich af en ben ik
daarmee verder gegaan. Hebben we, denk ik, toch wel achttien singles gemaakt.
Nee, dat zijn niet zo veel hits geworden.
Not just the flower in
your hair, dat was wèl een hit.
Daarna kreeg ik Nico Haak
erbij. Ben ik een organisatiebureau begonnen. En heb ik ook een muziekblad
uitgegeven, Music Maker”.
Lachen, gieren,
brullen
Stoelinga laat wat antieke contracten zien. Bijvoorbeeld één van 15 oktober
1969. Golden Earring, zo blijkt, speelde in die tijd van acht tot half twaalf
voor 900 gulden. Of van The Foundations, met Diana Ross. Kostten niet meer dan
3500 gulden. “En van die bedragen kreeg ik tien procent. Moesten we wel met ons
vijven delen. En de kosten moesten er nog vanaf. Nee, daar ging het salaris wel
zo’n beetje aan op”.
Intussen, we schrijven dan 1969, wierp Stoelinga zich op de speelautomaten.
“Toen verdiende ik snel heel veel geld. In de muziek lukte dat veel minder. Wie
zijn daar nou rijk van geworden? Al zijn wel heel veel jongens nog goed terecht
gekomen”. Dat neemt niet weg: “Het was een heel leuke tijd. Groupies.
Scheveningen. Het buitenland. Dat was wel lachen, gieren, brullen, ja”.
In de speelautomaten boerde hij dus goed. Lacht: “Mijn eerste klant was de Anne
Bar, die ik nu heb gekocht. Toen waren speelautomaten in kroegen nog nieuw, het
mocht ook nog maar kort in Delft. Toen ook pachtte ik de automatenhal van
Hommerson, op de Boulevard in Scheveningen”.
* Nooit morele bezwaren gehad, dat jij je zakken vulde doordat mensen zich
zo ongeveer een verslaving gokten?
“Nee. Heeft de Nederlandse Staat spijt van z’n casino’s? Ach, met de
speelautomaten van tegenwoordig raak je toch niet verslaafd? Natuurlijk zitten
er wel gokverslaafden tussen. Maar ik heb misschien drie, vier keer gehad dat ik
zei: Stop er nou mee. Maar ze stoppen tóch niet. En anders gaan ze wel naar de
buurman. De echte gokverslaafden vind je in de casino’s. Met speelautomaten kun
je als speler niet failliet gaan. Het is nog steeds leuke handel. En nogmaals:
als ik ’t niet doe, doet een ander ‘t. Waarom verkoopt de één bier en de ander
niet? Alcohol en drugs, dat vind ik grotere problemen”.
Stoelinga is ook actief in de Delftse horeca. Hij bezit er inmiddels negen
etablissementen. Wèl zo handig vanwege de speelautomaten die hij er heeft staan.
Want, zegt hij: “Ik ben geen echte horecaman. Ik zou ’t wel willen, maar ik kan
’t niet. Ik zit liever vóór de bar dan erachter”.
* Wat vind je van de horeca in Delft ?
“Het wordt te groot, te veel, te overheersend. Maar qua niveau vind ik de
Delftse horeca wel goed. Aan de andere kant: wij zijn geen stad als Maastricht.
Delft is een studentenstad”. Kijkt naar buiten, naar het terras. “Als je nu in
Maastricht komt, is zo’n terras vol. Nee, ook op de Beestenmarkt is ‘t niet
altijd vol. We moeten ’t van de toeristen hebben. Toch is Delft wel een
horecastad aan het worden, maar of ze allemaal een goeie boterham hebben? Ik
hoop ‘t. Er is toch wel tamelijk veel verloop. Ja, ik adviseer sommige zaken wel
degelijk om géén speelautomaten te nemen. Heeft met klasse te maken, met
uitstraling. Speelautomaten zijn toch meer voor stamkroegen en zo”. Dan: “We
willen graag een horecastad worden, maar we hebben er geen bal verstand van. En
de overheid betuttelt te veel. Stoeltjes die twee meter buiten het terrasvak
staan en daarvoor bekeuringen uitdelen, dat is geen goeie zaak. En dat er drie
gevallen zijn dat boetes van 20.000 euro zijn opgelegd, wegens geluidsoverlast
voor de buren, dat vind ik absurd. Daar is niet tegenaan te werken, dat
irriteert me mateloos”.
Wel vijftien operaties
Stoelinga kan op een aardig sportief verleden bogen. Zo worstelde hij. Bij Piet
van der Kruk. En bij KDO, in Utrecht. “Ik schijn een redelijk talent geweest te
zijn”, doet hij bescheiden. ”Ik was klein, gedrongen. Ben West-Europees kampioen
geweest. Heb, in Nijmegen, de finale van het Europees Jeugdkampioenschap
verloren van een dwerg. Een jongetje van 1 meter 43. Ik was toen 18, en 1 meter
72. Ik was sterk, ja. Toen ik 17 was, haalde ik 270 kilo met trekken, drukken en
stoten”. Zou, maar dit terzijde, de titel van een BNN-programma kunnen zijn…
Hij worstelde. Maar hij voetbalde ook. Was keeper in DHL. “Maar dat ging niet
samen. Toen ik 22 was, ben ik gestopt met voetballen. Tot m’n dertigste is sport
op het tweede plan gebleven Toen ben ik weer gaan voetballen. Bij Delfia, in het
zesde of zevende. En ik haalde drie trainersdiploma’s. Heb, wat zo toen heette,
ook het B-diploma. Op papier ben ik één van de hoogst gediplomeerde Delftse
voetbaltrainers”. Hij trainde Wippolder en Delfia. Was, toen al, bepaald niet
vies van ‘het halen van spelers’. Zorgde daarmee ook weer voor gemengde
gevoelens en verdeelde meningen.
Dat Stoelinga een tikkeltje moeilijk loopt, heeft hij óók aan de voetballerij te
danken. “Het was een vriendschappelijk wedstrijdje. De bal was al lang weg, werd
ik invalide geschopt door Marcel de Letter. Ik heb nooit meer kunnen voetballen,
heb een kunstenkel. Ik heb, denk ik, wel vijftien operaties gehad. Ik tennis nog
wel steeds, maar na een uurtje of twee is ’t wel over en sluiten. Ja, dit
voorval heeft ons thuis wel wat gedaan. Daardoor zijn mijn kinderen, behalve
Erwin, ook niet gaan voetballen.”
Stoelinga is eigenaar van de sportzaken Ruisch, in Delft en Wateringen. Daarbij
komt: “Ik heb, met een partner, de agentuur van Rucanor in Tsjechië. En ik heb
in Tsjechië ook een afdeling speelautomaten”. Vier keer per jaar reist hij
welgemoed naar Tsjechië. Noemt dan ook Praag ‘de mooiste stad van de wereld’.
Vanwege de cultuur. En: “Het centrum is niet autoluw, maar wel compact. Alles is
dichtbij elkaar. De oude en de nieuwe stad kun je in drie dagen aanlopen. In
Praag ben ik thuis. M’n vrouw ook”. Vertelt in geuren en kleuren, want dát kun
je wel aan Stoelinga overlaten, hoe dat allemaal zo is gekomen. Schroomt daarbij
ook niet over niet z’n grootste commerciële stommiteit te verhalen. “Ik ging
twaalf pallets Amstelbier verkopen aan Tsjechië. Nou, dat is hetzelfde als water
naar de zee dragen. Pils komt van Pilsen. Hoezo blunder?”
* Mogen we vaststellen dat jij rijk bent ?
“Ik ben de rijkste man van Delft, maar ik kom niet voor in de Quote 500. Ik ben
rijk, want ik heb negen echte vrienden, vijf prachtkinderen, vijf kleinkinderen
en een vrouw die eerlijk is. Nee, dat klopt wel, ik hoef me over geld geen
zorgen te maken. Geld maakt niet gelukkig, maar zonder geld ben je zo
óngelukkig. Ik heb het allemaal niet gratis gekregen, ik heb geen erfenis gehad.
Ik heb thuis onbeschrijflijke armoede meegemaakt, dat moet je niet vergeten. Ik
ben pas in Cuba geweest. Daar zijn de mensen allemaal gelukkig, want, zeggen ze:
We hebben drank, we hebben muziek, de zon schijnt en we zijn allemaal arm. Dat
hadden we hier vroeger ook. Je gaf je buurman een pak suiker, als dat nodig was.
Dat gevoel is weg in Nederland”.
Lelijk in vergist
Stoelinga kan het, dat zal geen verbazing wekken, niet laten het over zijn
‘affaires’ te hebben. Over het proces tegen Petr Krajicek, de vader van Richard
en Micha, dat al veertien jaar aansleept.
* Hou je er nou nooit rekening mee dat je zulke zaken kunt verliezen ? En
dat dat je een bom duiten kan kosten ?
“Natuurlijk wel. Dat zou niet leuk zijn. Maar dan nog: het is maar geld.
Aangezien ik niet op m’n geld zit, kan ik dat wel aan. Waar het mij om gaat, is
dat de waarheid boven water moet komen. Dat heb ik met Krajicek”.
Hij is, meldt hij niet geheel zonder trots, zes jaar Hospitalclown geweest. Is
eigenlijk een Cliniclown, “maar die zijn professioneel geweest. Toen dat betaald
ging worden en je zelfs examen moest doen, ben ik gestopt”. Hij is ook
Stadsprins geweest, ”ik ben een echte Carnavalsvierder”, en hij schopte het drie
keer tot Bekendste Delftenaar. En toen raakte hij in de (Delftse) politiek
verzeild. “Ik heb zó veel te danken aan Delft, ik ben van arme afkomst, ik
dacht: ik wil iets terugdoen voor Delft, mijn stad. Ik zag dat er veel fout zat
in Delft. Dat ik daar wat aan kon doen, daar heb ik me dus lelijk in vergist. Je
kunt de problemen aankaarten, je kunt individuele mensen helpen, maar politieke
veranderingen krijg je er niet door”.
* Ben jij eigenlijk niet volkomen ongeschikt voor de politiek ?
“Ja en nee. Ik dacht dat ik mensen kon helpen, verkeerde dingen kon
aankaarten. Dat doe ik ook. Aan de andere kant ben ik niet geschikt, want ik
lieg niet, ik huichel niet, belazer de boel niet, ik kan geen spelletjes spelen.
In de Raad van de afgelopen zaten veel huichelaars. In dat opzicht ben ik
ongeschikt voor de politiek, ja, dat zeg ik keihard”.
* Waarom ga je dan door ?
“Mijn a is b. Ik zal nooit de boel laten vernaggelen. Ik heb 4000
Delftenaren beloofd dat ik hun belangen zal behartigen. Daarom laat ik me niet
wegsturen. Het klopt, ik heb geen hekel aan belangstelling. Maar jij vraagt mij
toch? Ik heb veel dingen gedaan in Delft. Alleen door de politiek heb ik een
ander stempel gekregen. Een grote groep tegenstanders ook. Had ik niet verwacht,
moet ik zeggen”.
* Ben jij ergens bang voor ?
“Ik ben bang voor een jihad van de moslims. En dan heb ik ’t over de extreme
moslims. Het gaat te snel. Ik ben Rooms-Katholiek, het is een aanval op mijn
religie. Andersom zou ik ’t ook niet pikken. Dat kan ik niet verdragen, omdat ik
een overtuigd christen ben”.
Terug
|